Geluk is iets anders dan genot

‘Geluk is iets anders dan genot’

Gelukkig zijn kun je leren, zegt hoogleraar psychologie Ap Dijksterhuis (47). Zijn boek Op naar geluk werd een succes. Hij deelt graag zijn gelukslessen, want: ‘Hoe meer je met geluk bezig bent, hoe gelukkiger je zelf wordt’.

WILMA DE REK

De hoogleraar is moe maar gelukkig. Afgelopen najaar is zijn boek Op naar geluk. De psychologie van een fijn leven verschenen en sindsdien is het een gekkenhuis bij Ap Dijksterhuis: lezingen, interviews en nog meer lezingen, naast zijn gewone baan als hoogleraar psychologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Vijf jaar heeft hij aan het boek gewerkt en elk jaar voelde hij zich een beetje beter. ‘Hoe meer je met geluk bezig bent, hoe gelukkiger je zelf wordt, dat is een prettige bonus. Die geluksonderzoekers zijn allemaal hartstikke gelukkig.’

We gaan het hebben over lessen in geluk. Gelukkig zijn kun je namelijk leren, volgens Dijksterhuis, waarop meteen les 1 volgt: geluk is iets anders dan genot. Genot en plezier zijn van tijdelijke aard en gebonden aan bepaalde omstandigheden; geluk wordt geproduceerd door het bewustzijn. Genot gaat voorbij, geluk is stabieler. Hoe gelukkig een mens zich voelt, wordt grofweg bepaald door drie factoren: zijn gedrag, zijn genen en zijn omstandigheden. In die volgorde, les 2: omstandigheden bepalen maar ongeveer 10 procent van ons geluk, de genen 40 procent en de resterende 50 procent heb je zelf in de hand. ‘Voor de meeste mensen geldt dat je met een paar eenvoudige veranderingen behoorlijk wat kunt bereiken.’

Ook als je een Syrische vluchteling bent?

‘Omstandigheden hebben lang niet zo veel invloed op iemands geluksgevoel als vaak wordt gedacht, behalve als ze extreem worden. De omstandigheden waaronder vluchtelingen leven zijn natuurlijk extreem en dan is gelukkig worden moeilijk. Het beeld dat ik in dit boek schets, is gebaseerd op een stabiele, westerse samenleving. En als het gaat om variatie in geluk in een stabiele samenleving, kun je maar 10 procent verklaren door omstandigheden, zo simpel is het. Of het nou om een echtscheiding gaat, een ongeluk of het winnen van de Postcode Loterij: uit onderzoek blijkt telkens dat zelfs dergelijke ingrijpende gebeurtenissen maar een aantal maanden duidelijk invloed hebben op iemands geluksbeleving; daarna is er doorgaans geen meetbaar effect meer. In een land als Syrië ligt dat percentage veel hoger. In mijn boek citeer ik een collega die zegt dat in de hel het geluk voor honderd procent door de omstandigheden wordt bepaald.’

Heeft u voor mensen in extreme omstandigheden ook handige gelukstrucjes?

‘Nou, niet echt. Wat je wel ziet: de mensen die zo’n fase redelijk doorkomen, zijn over het algemeen degenen die hoop blijven houden. En dat zijn vaak ook mensen die voordat het mis ging al redelijk optimistisch waren. Maar er zijn heel wat voorbeelden bekend van mensen die onder zware omstandigheden toch tamelijk gelukkig zijn. Dat heeft vooral te maken met de mate waarin ze hun eigen bewustzijn onder controle hebben: wat hier binnen zit, is van mij. Neem Nelson Mandela, die ruim vijfentwintig jaar in de gevangenis zat en zich continu voor ogen hield: wat ze ook doen, in mijn hoofd ben ik de baas.’

U haalt een recent experiment aan van de Amerikaanse psycholoog Tim Wilson, waarin deelnemers zonder enige afleiding een aantal minuten alleen werden gelaten in een onderzoeksruimte; vrijwel iedereen vond het verschrikkelijk alleen te zijn met zijn gedachten.

‘Je moet het kunnen, alleen zijn – waarschijnlijk is het zo dat we het steeds slechter kunnen. Omdat we nooit meer alleen zíjn, we hebben altijd mobieltjes bij ons, er is voortdurend contact. Mijn generatie kan in de trein soms nog gewoon naar buiten kijken, maar dat ongestoord alleen zijn is iets wat mensen steeds minder doen. Sluit je af en toe af van de buitenwereld. Het is goed om je af en toe terug te trekken. Meer dan de helft van de problemen die mensen op het werk hebben, is van psychische aard, dat was vroeger 30 procent. Het aantal mensen tussen de 25 en 35 jaar dat last krijgt van een burn-out is groot. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat we altijd maar bereikbaar zijn, altijd maar communiceren, zelfs als we in de supermarkt voor de schappen staan te peinzen, gaat dat ding weer. Daarmee moeten we leren omgaan.’

Hoe?

‘Bijvoorbeeld door je telefoon of mail niet voortdurend te checken. Les 3: kijk hooguit drie keer per dag naar je mail. Uit onderzoek is gebleken dat bij mensen die dat twee weken volhielden het stressniveau omlaag ging. Maar ik weet uit ervaring dat het best moeilijk is hoor. Wat gemakkelijker is en ook werkt: spreek met jezelf af dat als je een app of mail of wat ook binnenkrijgt, je maar drie dingen mag doen: weggooien, meteen antwoorden of, als dat niet kan, meteen bepalen wanneer je die mail afhandelt. Wat je zeker niet moet doen, is de mails laten staan, dan suddert de boel maar door in je hoofd.’

Ap Dijksterhuis (47) woont in Nijmegen met zijn vriendin. Hij heeft een zoon van 15. Uit zijn boeken doemt het beeld op van een opgeruimde levensgenieter die een glas whisky (hij bezit een verzameling van achthonderd flessen) en een glas wijn (in 2011 schreef hij De merkwaardige psychologie van een wijndrinker) weet te waarderen en die van reizen en koken houdt – een van de voetnoten in zijn boek is een recept voor Indiase butter chicken.

Bent u gelukkig geboren of gelukkig gemaakt?

‘Ik heb er wel voor moeten werken. Nu ben ik heel gelukkig. Als kind was ik dat ook. Maar in mijn studententijd en ook daarna heb ik periodes gehad waarin ik veel minder gelukkig was.’

Kwestie van gedrag, van genen of van omstandigheden?

‘Weet je, in werkelijkheid is het wat lastiger omdat die dingen met elkaar interacteren. Ik weet niet precies wat het bij mij was, ik denk toch ook onzekerheid, wat je vaker ziet op die leeftijd. Dat ik psychologie ben gaan studeren, is bepaald door de dobbelsteen. Ik was met een vriend, we hebben wat mogelijkheden op een rij gezet – sociologie, antropologie, een paar talen – en het werd psychologie. Nu weet ik dat ik er goed aan heb gedaan mijn keuze in elk geval níét te laten bepalen door de arbeidsmarkt, mensen die dat doen worden doorgaans ongelukkiger in hun werk dan mensen die gewoon gaan studeren wat ze leuk vinden. Maar tijdens mijn studie was ik wel zoekende.’

En hoe zat het met de genen; uit wat voor nest komt u?

‘Ik ben opgevoed door mijn moeder. Ze had een levendig gevoel voor humor, ik kon ontzettend met haar lachen, maar ik kan niet zeggen dat het een aangeboren vrolijk iemand was, eerder vrij somber. Dat ben ik zelf nooit geweest, meer een beetje middelmaat, op die lastige periode in mijn leven na. Ik heb wel collega’s die van nature opgewekt zijn: dat heb ik niet. Ik vind het nu gemakkelijk, maar dat is niet vanzelf gegaan. Daarom weet ik ook zo goed dat je echt wat aan je geluksgevoel kunt doen. Niet als je in een depressie zit of schizofreen bent of in een oorlogssituatie zit, dan ben je bezig met overleven. Maar doorgaans wel.

‘Wie mijn vader is, weet ik niet. Mijn moeder heeft mij pas later verteld dat de man met wie ze getrouwd was, niet mijn biologische vader was. Dus van 50 procent van mijn genen heb ik geen idee waar ze vandaan komen.’

Ook nooit naar gezocht?

‘Nee.’

Zijn de roots dan niet belangrijk voor iemands identiteit?

‘Voor mij niet. Mijn moeder is allang overleden, ik heb geen vader, geen moeder, geen broers, geen zussen. Ik ben wie ik ben. Die roots – ik heb eigenlijk nauwelijks roots, dat is nooit anders geweest, daar ben ik aan gewend. Toen ik zelf een zoon kreeg, dacht ik wel: hoe kun je nou geen belangstelling hebben voor je kind? Maar mijn vader zal zijn redenen hebben gehad.’

Geluk is in, als je afgaat op het aantal boeken dat er de laatste jaren over wordt volgeschreven. Dijksterhuis liet zich vooral inspireren door The Happiness Hypothesis van John Haidt en Stumbling on Happiness van Dan Gilbert.

‘Die boeken zijn allemaal inmiddels wat ouder, het onderzoek naar geluk gaat zó hard, ook mijn boek is alweer bijna verouderd. Ik weet niet of je de zoektocht naar geluk een hype moet noemen, het is meer een combinatie van dingen. Een van die dingen is dat we het materialisme wel voorbij zijn. Mensen zijn de laatste decennia veel rijker geworden en maar een klein beetje gelukkiger; we weten dus dat we niet gelukkiger worden van het verder verbeteren van onze omstandigheden, althans dat geldt voor 80 procent van de Nederlanders. Nu zijn we op zoek naar méér. Naar zingeving, naar ontwikkeling.

‘Iets anders is dat er veel onderzoek wordt gedaan naar geluk en er dus steeds meer concrete kennis aanwezig is. Bijvoorbeeld het inzicht dat je je geluk voor een groot deel in eigen hand hebt. Dat er instrumenten zijn om het te beïnvloeden. Ik heb zelf vijf jaar geleden een cursus zenmeditatie gedaan.’

En dat hielp?

‘Nou, ik doe het niet meer, ik zou bijna zeggen: ik heb het niet meer nodig. Ik deed het vooral om me even terug te kunnen trekken uit de buitenwereld en ik heb gemerkt dat ik dat eigenlijk veel liever doe door lekker lange wandelingen te maken. Een tweede reden waarom je aan mindfulness of meditatie zou kunnen doen, is het krijgen van inzicht in hoe ons bewustzijn werkt. Hoe kun je dat trainen? Bijvoorbeeld met het doel minder last te hebben van allerlei negatieve emoties.’

En dat helpt?

‘Er is inmiddels een overtuigende hoeveelheid onderzoek die aantoont dat meditatie effect heeft. Alleen – maar dat geldt bijna voor al het psychologisch onderzoek en dat vergeten mensen wel eens – je weet niet voor wie. Dat moeten we beter uitzoeken.

‘Ruut Veenhoven, de geluksprofessor in Nederland, heeft wel eens tegen mij gezegd: aspirine helpt, maar alléén als je hoofdpijn hebt. Als je nu honderd mensen een mindfulnesstraining laat doen en je gaat na een aantal weken het gemiddelde berekenen op zoiets als geluk of concentratievermogen, dan zie je wel een kleine verbetering. Maar het zou goed kunnen dat die verbetering alleen bij 20 procent van de mensen aangetoond kan worden en bij 80 procent dus niet. Net als aspirine: als jij geen hoofdpijn hebt, merk je er niks van. Dat onderzoek moet allemaal nog gebeuren.’

Doe maar een lesje meditatie dan. We zijn pas bij les 4.

‘Zenmeditatie is heel simpel. Je gaat twintig minuten in de meditatiehouding op een kussen zitten.’

En dan?

‘Dan ga je je adem tellen.’

En dan?

‘Dat is het. Van 1 tot 10 en weer terug. Het idee is dat je probeert je te concentreren op je ademhaling. Er komen natuurlijk meteen allerlei andere gedachten op – mensen hebben zo’n vierduizend gedachten per dag – en die observeer je, op een rustige manier. Je doet er verder niks mee. En dan probeer je elke keer weer terug te gaan naar je ademhaling.’

Kun je in die tijd niet beter een goed boek lezen?

‘Dat kan. Ik heb het idee – maar nogmaals, het moet goed worden uitgezocht – dat mensen die veel stress ervaren of bijvoorbeeld slaapproblemen hebben, echt profiteren van twintig minuten zenmeditatie per dag. Maar ik denk ook dat er veel mensen zijn die daar geen behoefte aan hebben, of hun ontspanning op een andere manier bereiken. Boeddha had 2.500 jaar geleden geen keus, die moest er door meditatie achterkomen dat ons bewustzijn zich gedraagt als een aap; gedachten komen op en verdwijnen weer, als een aap die door het bos slingert. Wij kunnen ook gewoon in boeken lezen hoe ons bewustzijn werkt. Dat gaat een stuk sneller.’

Ervaringen zijn belangrijker dan spullen, schrijft u – les 5.

‘Dat is een belangrijke les. Van nieuwe spullen kun je genieten, maar die blijheid zakt snel weg. Ervaringen dragen veel meer bij aan je geluk. Welke ervaringen, dat verschilt per persoon en per leeftijd: jongeren houden van wat meer spectaculaire dingen, ouderen kunnen genieten van de familie die langskomt of de tuin die er goed bij staat. Ervaringen geven meer voorpret en ze geven meer napret. Meestal deel je ze met anderen, daardoor zorgen ervaringen voor verbondenheid. Je kunt je geld beter in een mooie ervaring stoppen dan in een paar nieuwe schoenen. Shoppen geeft sowieso een kortstondige bevrediging: lees maar liever geen glossy’s, je wordt er hebberig van en als je iets eenmaal hebt, wil je meteen iets nieuws, het schiet niet op. Een andere les, een beetje klef maar goed: zoek contact met anderen. Mensen reageren slecht op sociale uitsluiting en goed op contact met anderen. Zomaar een praatje aanknopen met iemand in de tram blijkt bevorderend te zijn voor je geluksgevoel.’

Dan les 7: we kennen onszelf slecht.

‘Mensen hebben over het algemeen een vertekend beeld van zichzelf, meestal een zonniger beeld. Daardoor nemen ze nogal eens verkeerde beslissingen.’

Kun je jezelf wel kennen? Er zijn wetenschappers die beweren dat het ‘ik’ helemaal niet bestaat.

‘Daar ben ik het mee eens. Ik heb er over zitten twijfelen: moet ik niet uitgebreider opschrijven dat mensen geen vrije wil hebben? Dat het ‘ik’ een constructie is die wij maken in onze hersenen? Dat wat wij de ziel noemen, gewoon hersenprocessen zijn die allerlei dingen veroorzaken? Maar ik wilde het boek toegankelijk houden.’

U heeft sympathie voor het boeddhisme, maar niet voor het boeddhistische advies je niet aan dingen of mensen te hechten.

‘Ik vind dat te extreem. Moet je geen kind willen omdat je je niet wilt hechten? Toen de Boeddha dat zei, was de wereld veel moeilijker en zwaarder dan de wereld waarin wij nu leven. Veel kinderen overleden binnen een jaar. Hecht je maar wél aan mensen, dat zorgt weliswaar voor een hoop negatieve emoties, maar toch altijd nog voor meer positieve – neem die negatieve maar op de koop toe.’

Dat was les 8. Dan les 9. Iedereen heeft een zanikende innerlijke stem in zijn hoofd, schrijft u, en wie streeft naar meer gemoedsrust moet de relatie die hij heeft tot die stem veranderen. Alleen: je kunt jezelf toch niet uitzetten? Of wel?

‘Je kunt je laten meevoeren door al die gedachten en emoties, je kunt ook een stap terug doen en van een afstand naar je eigen bewustzijn kijken en zien dat die emoties opkomen en op een gegeven moment ook weggaan. Zo werkt je bewustzijn. En dat beseffen, zeker op een moment dat het minder gaat, zorgt al voor een enorme rust en relativering.

‘Ik vind een uitspraak van de Amerikaanse wetenschapper Sam Harris heel mooi. Hij schrijft: je kunt de gijzelaar zijn van je eigen gedachten, van die drukte in je hoofd, en zeggen: dat is de kern van wie ik ben en die drukke stemmen moet ik volgen. Maar je kunt ook besluiten al die drukte te zien als een soort toneelstuk. Het leven is een toneelstuk waar we allemaal een rol in hebben. Dan ga je van een afstand kijken…’

…en word je een cynische observator.

‘Nee, niet cynisch, ik word er juist blij van. Ik denk dan: ik heb wel een leuke rol gekregen. Moet je je voorstellen dat je nu in Damascus woont, dan heb je wel echt een kloterol. Les 10: dankbaar zijn met de rol die je hebt gekregen in dit toneelstuk, dat is eigenlijk het geheim van geluk.’

Terug naar overzicht