De communicatie met je kind verbeteren

Vaak denken we als volwassene dat we beter kunnen communiceren dan een kind. Is dat wel zo? Wat precies kunnen we dan beter? Kunnen we dan beter zinnen formuleren? Meer woorden bedenken? Beter uitleggen? We moeten als volwassene beseffen dat een kind op een andere manier communiceert en dat we daarom niet op een volwassen manier het kind moeten betrekken in een gesprek. Ook kinderen beschikken over een bepaalde wijsheid die je, mits je als volwassene daar de ruimte voor geeft, soms laat verbazen.

Vaak vervallen we als volwassene in het invullen voor het kind. Het kind begint met praten, moet even nadenken over wat het wil zeggen en vervolgens maken we als volwassene de zin af. Je bedoelt het goed, maar er is de kans dat het kind zich niet begrepen voelt en de motivatie verliest om te praten. Het kind is van nature minder geneigd om zijn gevoelens te delen met je en als volwassene hoor je dan niet dat je invulling misschien wel helemaal niet klopt.

Hoe kun je je gesprek met je kind verbeteren en kun je je verwonderen over de wijsheid van je kind?

  1. Ga op dezelfde ooghoogte zitten als het kind; willen we dat het kind ons iets vertelt, zullen we lager moeten gaan zitten ter hoogte van het kind.
  2. Kijk naar een kind terwijl je spreekt; het kind ‘spreekt’ ook non-verbaal. Misschien zegt het ‘ja’, maar zie je aan het gezicht en lichaam ‘nee’.
  3. Alterneer het wel en niet maken van oogcontact met een kind terwijl je spreekt; soms kan het kind het oogcontact te spannend vinden. Kijk dan goed naar de lichaamstaal. Wat maakt dat een kind het oogcontact vermijdt? Is het bang of heeft het geen zin om te praten?
  4. Stel het kind op zijn of haar gemak; maak het doel van je gesprek duidelijk en praat op een vriendelijke toon.
  5. Luister naar wat een kind zegt, ook al heb je je eigen onderwerp op de agenda. Wees in hun beleving geïnteresseerd. Kinderen vertellen op hun eigen manier met hun eigen kenmerken.
  6. Laat met behulp van voorbeelden zien dat wat het kind zegt, effect heeft; kinderen staan niet stil bij het gevolg van hun gedrag. “Als je me niet gezegd had dat je graag met mij een spel speelt, had ik dat niet geweten. Nu zorg ik dat ik vaker met jou een spel speel”.
  7. Vertel het kind dat het je moet zeggen wat het vindt of wil, omdat je het niet weet als het kind het je niet vertelt; kinderen denken vaak dat ouders en volwassenen alles weten en dat ze wel weten wat het kind denkt. Moedig het kind aan om te vertellen. “Ik weet niet hoe het is om in groep 4 te zitten, vertel me er eens iets over?”
  8. Probeer spelen en praten te combineren; lang stilzitten voor een gesprek werkt niet voor een kind en ze gaan al snel wiebelen, zeker als het gesprek spanning oproept. Je krijgt als volwassene veel meer te horen als het kind tegelijkertijd speelt of als jij ook meespeelt.
  9. Zorg dat je het gesprek afbreekt en later zal voortzetten wanneer je merkt dat het kind afhaakt; voor een kind kan het op een gegeven moment genoeg zijn. Dwing je gesprek niet af en zeg dat je er een andere keer nog eens over praat.
  10. Wanneer je een moeilijk gesprek hebt gehad, zorg dan dat het kind daarna tot zichzelf kan komen; ga een fysieke activiteit doen, zoals rennen en springen. Schat ook in of het kind even alleen wil zijn bij het tot rust komen of dat het kind net het contact met anderen nodig heeft.

Deze adviezen zijn ook uitgebreider te vinden in het boek ‘Luister je wel naar mij?’ van Martine Delfos. Praten met kinderen geeft je meer inzicht in hun manier van denken en je laat ze zien dat je echt in hun leven geïnteresseerd bent. Dat schept verbinding en dat is graag wat je met je kind wil.

 

 

Terug naar overzicht